|
De eerste plenaire vergadering
Een parlement kan maar zo boeiend en onsaai zijn als de som van haar volksvertegenwoordigers. Voorzitter Jan Peumans heeft het alleszins goed voor met het Vlaams parlement: de parlementairen moeten meer aanwezig zijn, hun gsm en laptop in hun boekentas laten zitten, korter en meer to the point tussenkomen, en ook de Vlaamse ministers moeten zich aan hun spreektijd houden. Hij heeft helemaal gelijk: de langdradige gelijkhebberigheid van sommige parlementsleden én ministers is dodelijkheid voor een debat. Daarenboven hebben politici vaak de neiging om elkaar te herhalen en niet naar elkaar te luisteren. En daar heeft Peumans ook een punt: wie bezig is de krant of een boek (!) te lezen, hoort niet wat zijn of haar collega zegt. Dit wijst niet alleen op een gebrek aan inhoudelijke interesse maar ook op een gebrek aan respect voor elkaar. Ik denk in dit verband altijd terug aan onze reis naar het Schotse parlement enkele jaren geleden. Ik was toen vooral onder de indruk van de ongelooflijke discipline die daar in het halfrond heerst: alle parlementsleden aanwezig en uitsluitend luisterend naar en discussiërend met elkaar. De vergaderingen waren niet korter dan bij ons maar wel afwisselender omdat iedereen zich aan zijn spreektijd hield en op een eerste aangeven van de voorzitter zijn betoog afrondde. Maar Peumans mag het zo goed voorhebben als hij wil: iemand die verbaal niet getalenteerd is, zal hij niet boeiender maken; en iemand die per se een onnozele vraag wil stellen zoals die over Crevits en haar fotomodellenreportage, kan hij niet van het spreekgestoelte houden ... Het is dus in de eerste plaats aan de parlementsleden zelf om van hun halfrond een swingende plaats te maken met veel spitante debatten.
Marleen Vanderpoorten
Klik hier om eerdere bijdragen te lezen
|
|
|
| |
|